Vanochtend besluit ik direct mijn hardloopkleding aan te trekken en, ondanks de kou en forse zuidwestenwind, naar buiten te gaan. Hardlopen blijft zoiets waarvan je weet dat je er op lange termijn plezier van gaat hebben (of, zoals ze het zo mooi zeggen: “je er de vruchten van kunt plukken”), maar waar je op korte termijn totaal geen zin in hebt. Althans, ik niet. Sta jij ‘s ochtends dansend in je hardlooplegging voor de spiegel te juichen dat je mag gaan hardlopen? Sorry, can’t relate.

Toch ga ik.

Mijn vaste hardlooprondje gaat deels over een pad langs de linie, de waterlinie die vroeger dienst deed als onderdeel van de verdedigingslinie van de stad. Het is een gelukje bij een ongeluk, want door die verdedigingslinie hebben we nu een prachtig stukje groen rondom het stadscentrum liggen. Terwijl Taylor over verloren liefdes zingt (heb ik al gezegd dat ik Evermore grijsdraai?), hoor ik daar vandaag voor het eerst de vogeltjes weer voorzichtig fluiten.

Ik verbaas me er altijd weer over hoe blij ik word van de buitenlucht en bewegen. Het wordt natuurlijk wel vaker gezegd (doktoren vragen steevast of je ook aan sport doet waneer je met psychische klachten op het spreekuur komt), maar blijkbaar moet ik het eerst zelf duizend keer ervaren voordat ik denk: goh, daar zit wat in. Vandaag zet ik mijn muziek iets zachter, blijf ik even staan, draai ik mijn hoofd richting de voorzichtige zon en luister. Daar zijn ze, de gelukshormonen.

Ik las ooit ergens dat mensen na een slechte diagnose door verschillende stadia gaan. Ongeloof, depressie, en ergens achteraan is daar (als je geluk hebt) acceptatie. Totale overgave. Sommige mensen sterven zelfs vredig. Maar wat als niet jijzelf ziek bent en sterft, maar misschien iemand anders? Hoe gaat dat dan? Accepteer je het ooit echt?

Ik loop verder, moet een heuveltje over en struikel bijna over mijn eigen voeten bij het naar beneden lopen. Als ik nadenk over wat ik vandaag eens zal schrijven, hier op dit kleine stukje web, dan moet ik een beetje om mezelf lachen. Ga ik echt weer beschrijven hoeveel ik geniet van de natuur en van frisse lucht en van vogelgeluiden? Heb ik niet nog veertig jaar om daar over te schrijven? Maar ja, wat als het gewoon zo is.

Misschien kan ik er bij schrijven dat ik gewoon een oude ziel heb? Maar nee, dat kan het niet zijn, en ik schud mijn hoofd. Zoals iedere vrouw ooit in haar leven leert wordt die uitspraak slechts door twee type mensen gedaan: de moeder die semi-serieus beweert dat een baby wijs uit de ogen kijkt en de man die voor zichzelf wil goedpraten dat hij een vrouw die bijna de helft jonger is dan hij in zijn bed wil hebben. Wat ben je slim, wat ben je mooi, wat ben je volwassen, goh wist je dat ik al eerder mooie jonge vriendinnen heb gehad?

Ik versnel. Bij iedere uitademing en iedere stap die ik zet moet ik denken aan de woorden van Sylvia Plath: I am, I am, I am.

Beter passend lijkt me de theorie dat ik geen oude ziel ben, maar inmiddels heb geleerd om van de kleine dingen in het leven te genieten. Het is best fijn om jezelf voor te houden dat je toch iets opgestoken hebt, zo door de jaren heen. De diploma’s aan de muur hangen er immers maar ter decoratie.

Voor me razen de auto’s voorbij. Ik steek de straat over en loop langs de vuilniswagen, waar mannen in oranje de bakken voor zich uitduwen. Ze fluiten. Naar mij? Nu, ik, hier? Met bezweten hoofd en bril en ontploft kapsel? Ik irriteer me aan het feit dat ik het bijna vleiend vind. Als reactie op mijn eigen schaamte ren ik nog iets sneller (terwijl ik eigenlijk al had willen stoppen bij die ene straathoek).

Als ik thuis ben word ik gebeld. En de ademteug, waarvan ik niet wist dat ik die al die tijd had ingehouden, laat ik eindelijk los. Het is goed, het is goed, het is goed.

Gelukkig.